Achtergrond - Lichtenberger Methode uitgelicht

Ventielfunctie van de ware en valse stemplooien

Het strottenhoofd kent twee ventielen, twee paar stemplooien, die de ware en de valse stemplooien worden genoemd. Deze stemplooien bevinden zich boven elkaar. Onder zitten de ware stemplooien die in trilling worden gebracht bij stemgeving. De plooien daarboven hebben de functie van bovendrukventiel. Wanneer we arbeid verrichten in de richting van ons af, ademen we in en sluiten deze plooien zich. Er ontstaat een bovendruk in de longen, waardoor onze torso beter tegendruk kan bieden aan de kracht die wordt uitgeoefend (het gaat in feiten om een compenserende kracht). Het sluiten van de plooien gebeurt reflexmatig. Dit is eenvoudig te ervaren door even tegen de tafel te duwen. Sluiting van het bovendrukventiel vindt zo ook plaats bij heffen, stoten, slaan en trappen, maar ook bij baren, overgeven, hoesten en ontlasten (W. Rohmert, 1989). Het is overigens niet lastig dat zelf na te gaan.

In de valse stemplooien bevindt zich geen spieren. De sluiting vindt plaats met behulp van hulpspieren in de keelholte (w.o. het sluitingsmechanisme van het slikken, G. Rohmert) en verder door een compenserende sluitende werking van de ware stemplooien en werking van de uitademingspieren. Deze sluiting wordt ondersteund door verhoging van luchtdruk onder de stemplooien, de z.g. subglottische luchtdruk. Hoe harder we bijvoorbeeld duwen, hoe meer de torso wordt samengeknepen, hoe hoger de luchtdruk in de longen, des te sterker is de sluiting van het bovendrukventiel (vergelijkbaar met de werking van sluisdeuren). De valse stemplooien kunnen ook (ongewild) in trilling komen en stemgevend zijn en storen daarbij de werking van de ware stemplooien. Dit (mee)trillen van de valse stemplooien kan een lage rauwe klinkende stem geven (Drost, 1996).

De ware stemplooien, het onderdrukventiel, die een zeer gedifferentieerd spiersysteem kennen, sluiten juist bij krachtuitoefening die naar ons toe is gericht en werken samen met de inademingspieren. Nu is het de onderdruk in de longen die stijfheid geeft aan de torso, die daarmee de krachtuitoefening compenseert. Sluiting vindt o.m. plaats bij trekken, zich opheffen en zwemmen. Zoals het bovendrukventiel een sluittendens heeft bij bovendruk in de longen, heeft het onderdrukventiel een sluittendens bij onderdruk in de longen. Deze sluittendens is duidelijk te ervaren bij het 'inspiratoir zingen', d.w.z. klank geven op de inademing.

De uiteenlopende spieren in en rond de ware stemplooien zijn in verschillende functies gespecialiseerd. Zo wordt de luidsterkte geregeld door aan- en ontspannen van een spier in het midden van de plooien (musculus vocalis, VOC). Spieren die het strottenhoofd kantelen regelen (mede) de toonhoogte, door het verlengen of verkorten van de stemplooien. Daarnaast zijn er zijdelingse spieren (m. lateralis) die de 'nadering' (nodig voor het in trilling komen) en sluiting (voor de ventielfunctie) van de stemplooien regelen. De balans tussen de kracht van de 'nadering' (mediale compressie of momentane sluitkracht genaamd) en de subglottische luchtdruk (druk door uitademing) is bepalend voor de kwaliteit van de stemklank. En deze balans kan door de 'spierinstelling' van het gehele lichaam worden gestoord of gesteund (G. Rohmert, 1996).

'Omdat de inademspieren, uitademspieren en houdingsspieren elkaar functioneel overlappen, moet, om een differentiatie van de verschillende functiegebieden te bereiken, in het lichaam een hoge flexibiliteit en waarneming worden ontwikkeld. De wijze waarop die houdingsspieren van hoofd tot voeten zich spannen en de wervelkolom zich opricht, is voor de activiteitmogelijkheden van de binnenste spieren van grote betekenis, zo ook voor spieren van het strottenhoofd (strottenhoofdmusculatuur)', G. Rohmert, 1996.

Gisela Rohmert geeft in haar boek 'Der Sänger auf dem Weg zum Klang' een voorbeeld van de consequentie van de hierboven beschreven werking: 'De diepe rugspieren oefenen invloed uit op de halswervelkolom en daarmee op de houding van het hoofd. Deze beïnvloedt op haar beurt de schedelspieren, tot en met de mimische uitdrukking, maar ook de keel- en daarmee articulatiemusculatuur. Van hieruit reikt de invloed tot de valse stemplooien, het onderdrukventiel. Men kan deze 'hulp'-functieketen ook in omgekeerde volgorde volgen. Een gespannen strottenhoofdmusculatuur, d.w.z. een te hoge 'mediale compressie', dwingt een sterke uitademtendens af (uitademmusculatuur, diepe rugmusculatuur). Deze verloopt van een verstijfde musculatuur van het aanzetstuk (o.m. mond- en keelholte) tot in de mimische musculatuur, tengevolge van een door de subglottische luchtdruk omhoog gedrukt strottenhoofd of een met behulp van een tongbodemmanipulatie die actief het strottenhoofd naar beneden drukt.' Dit voorbeeld geeft een beeld van de complexiteit van het stemgeven en maakt voorstelbaar hoe de ontelbare technieken, manipulaties, trainingen en stimulaties hebben kunnen ontstaan.

De ruimte tussen de ware en valse stemplooien, de morgagnische ventrikels, wordt een werking toegekend voor het stemgeven. De ruimte zou als resonator kunnen werken. Een andere hypothese is dat de valse stemplooien door de geluidsgolven in trilling worden gebracht en zo bijdragen aan de stemklank. 'In ieder geval draagt deze ruimte bij aan de vorming van klank. Om van een klankkwaliteitsvormende ruimte te kunnen spreken, mogen de valse stemplooien niet vanuit hun (primaire) functie van bovendrukventiel werken, maar moeten in hun secundaire functie worden aangesproken. Op deze secundaire functie zal wederom de subglottische druk positief reageren', G. Rohmert, 1996.

Het onderkennen en herkennen van de hierboven beschreven werkingsmechanismen in en rond de stemplooien kan wezenlijk bijdragen aan een stempedagogiek.

Tot slot kan vanuit het synergetisch model nog worden gereflecteerd op de dubbelventielfunctie van de stemplooien. Enkele aspecten die Gisela Rohmert noemt zijn: de wisselwerking tussen dat wat ordent en dat wat geordend wordt, in de beïnvloeding van dubbelventielfunctie op het spiersysteem en de beïnvloeding van het spiersysteem op de kwaliteit van de dubbelventielfuntie; een groeiende onafhankelijkheid van de ventielen als een vorm van zelforganisatie; een destabiliseringsfase waarbij enkele spiergroepen los moeten komen van hun primaire functie; en een hogere ordening waarbij sprake is van een hogere efficiëntie van de ventielfunctie.

Maarten Rienks, oktober 2007

Terug naar Achtergrond